De zaak betreft een minderjarige die in 2017 vanuit Syrië naar Nederland kwam en sinds 2023 onder het ouderlijk gezag van zijn vader valt. Medio 2024 werd de minderjarige onder valse voorwendselen door zijn stiefmoeder naar Syrië gebracht, waar hij tegen zijn wil verbleef en contact met vrienden en familie werd belemmerd. Na tussenkomst van de ambassade keerde hij terug naar Nederland, maar zijn relatie met de vader is ernstig verstoord. De vader weigert verdere zorg en woonruimte te bieden.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie. De vader stemt in met het verzoek en erkent de problematiek, hoewel hij de beschuldigingen van de minderjarige betwist.
De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat plaatsing buiten huis noodzakelijk is. Er wordt een jeugdbeschermer betrokken om passende hulpverlening en contactherstel met de familie te bevorderen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 19 maart 2025.