ECLI:NL:RBDHA:2024:22599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2024
Publicatiedatum
13 januari 2025
Zaaknummer
C/09/677387 / JE RK 24-2268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 809 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige vanwege voldoende zorg bij vader met netwerkondersteuning

De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een zeven maanden oude minderjarige voor de duur van zes maanden, vanwege de problematiek van de moeder en de beperkte zorgcapaciteit van de vader op lange termijn.

De moeder heeft een middelenproblematiek en verbleef met de minderjarige in een instelling, maar is daar recentelijk ontslagen vanwege een positieve test. De vader woont momenteel met de minderjarige en heeft aangegeven dat hij op lange termijn de zorg niet kan dragen vanwege werk, maar beschikt over een ondersteunend netwerk van familieleden.

De kinderrechter oordeelt dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd is, vooral omdat niet is aangetoond waarom een plaatsing buiten het vaderlijk netwerk noodzakelijk is. De vader kan met hulp van zijn netwerk de zorg dragen, waardoor een uithuisplaatsing niet nodig is. De moeder werkt aan haar problematiek en staat achter het verblijf bij de vader. De kinderrechter benadrukt het belang van vertrouwen en samenwerking tussen moeder en gecertificeerde instelling.

Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de vader met ondersteuning van zijn netwerk voldoende zorg kan bieden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/677387 / JE RK 24-2268
Datum uitspraak: 31 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J. Brouwer te Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 18 december 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in 800, derde lid, en 809, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgewezen. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze mondelinge behandeling ter zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- voornoemde beschikking van 18 december 2024.
1.3.
Op 31 december 2024 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met mr. M. Krol;
  • de vader met zijn advocaat.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] woont bij de vader.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 18 december 2024.

3.Het verzoek

3.1.
In eerste instantie verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting wijzigt de gecertificeerde instelling het verzoek voor de duur van zes maanden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] is zeven maanden oud en woonde bij de moeder. Tot voor kort verbleven [de minderjarige] en de moeder bij [instelling] , omdat de moeder daar vanwege haar middelenproblematiek werd opgenomen. De moeder heeft bij [instelling] meerdere kansen gekregen om te laten zien dat ze haar problematiek serieus neemt. Desalniettemin blijft de moeder haar middelengebruik ontkennen. Door een recente positieve test is de moeder ontslagen bij [instelling] , omdat er geen behandelrelatie mogelijk is als de moeder haar middelengebruik blijft ontkennen. De moeder en [de minderjarige] hebben [instelling] moeten verlaten. Op dit moment verblijft [de minderjarige] bij de vader. De vader heeft echter aangegeven dat hij op lange termijn de zorg niet kan dragen vanwege zijn werk. Een plaatsing bij de moeder op een andere plek is evenmin mogelijk, omdat de verslaving van de moeder een contra-indicatie is voor moeder-kindplekken. De grootouders en de tante vaderszijde zijn bereid om de zorg van [de minderjarige] op zich te nemen voor zolang als dat nodig is. De gecertificeerde instelling is van mening dat deze mogelijkheid op dit moment het beste is voor [de minderjarige] , omdat dit voor haar hechtgingsfiguren zijn en zij [de minderjarige] een vertrouwde plek bieden. Een onafhankelijke plaatsing bij een ander pleeggezin wordt niet wenselijk geacht, omdat [de minderjarige] dan op een onbekende plek terecht zal komen en zij beperkt contact zal hebben met haar familie. De komende tijd wil de gecertificeerde instelling toewerken naar thuisplaatsing bij de moeder. Om dit te kunnen realiseren, is het nodig dat de moeder opnieuw in behandeling gaat en dat kost tijd. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden acht de gecertificeerde instelling dan ook te kort. Een verzoek voor de duur van zes maanden geeft de moeder meer tijd om aan haar problematiek te werken.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. [de minderjarige] woont bij de vader en de moeder staat daar ook achter. Het liefst heeft de moeder dat [de minderjarige] bij haar woont, echter ziet zij in dat dit nu niet mogelijk is. De moeder werkt op dit moment hard aan zichzelf en haar problematiek. Zij heeft het moeilijk vanwege haar verleden. Volgens de moeder is [instelling] bereid om vanaf het nieuwe jaar verder te werken met haar aan een behandelplan. De advocaat van de moeder bepleit dat het verzoek van de gecertificeerde instelling niet goed onderbouwd is, en alleen al om die reden moet worden afgewezen. Omdat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader is en de vader de zorg op zich kan nemen, is een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk. Uiteindelijk wil de moeder voor [de minderjarige] zorgen. Hiervoor is nodig dat de gecertificeerde instelling de moeder de kans geeft om te laten zien dat zij het kan. Op dit moment is de moeder wantrouwend tegenover de gecertificeerde instelling. De advocaat stelt voor dat er een gesprek gaat plaatsvinden tussen de moeder en de gecertificeerde instelling.
4.2.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek. De relatie tussen de vader en de moeder is goed en de communicatie over [de minderjarige] verloopt positief. De vader is van mening dat [de minderjarige] beide ouders nodig heeft. Kortgeleden heeft de vader een gesprek gehad op zijn werk over de veranderde omstandigheden. Hieruit is voortgekomen dat de vader meer tijd heeft om voor [de minderjarige] te zorgen. Daarbij heeft de vader een netwerk om zich heen dat hem ondersteunt. De familie van de vader kan hem te allen tijde helpen bij de zorg over [de minderjarige] , zoals dat in de meeste gezinnen gebruikelijk is. Deze constructie kan worden voortgezet zodat het niet nodig is om [de minderjarige] in een pleeggezin te plaatsen, ook niet als dat een plek in het netwerk van de vader is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal het verzoek afwijzen. Het schriftelijk verzoek is niet voldoende duidelijk gemotiveerd en is daarom onvoldoende onderbouwd. Zo is uit de schriftelijke motivering niet op te maken wat het hoofdverblijf van [de minderjarige] is en waarom zij daar niet kan verblijven. Ter zitting is gebleken dat de hoofdverblijfplaats bij de vader is, bij wie [de minderjarige] op dit moment woont. Het verzoek gaat uit van de situatie dat de vader onvoldoende tijd heeft voor [de minderjarige] en dat zij daarom ergens anders moet verblijven. In gesprek met de vader is echter gebleken dat het netwerk – waar [de minderjarige] volgens het verzoek geplaatst zou moeten worden – de vader kan ondersteunen, zodat [de minderjarige] bij hem kan blijven. Niet gemotiveerd is waarom deze minder ingrijpende mogelijkheid niet voldoende zou zijn. Om die reden zal de kinderrechter het verzoek dus afwijzen.
5.2.
De kinderrechter overweegt verder met oog op het vervolg van de situatie als volgt. [de minderjarige] woont bij de vader en ontwikkelt zich daar goed. De vader is actief bereid om de zorg over [de minderjarige] op zich te nemen en heeft hierover afspraken gemaakt op zijn werk. Daardoor heeft hij al meer ruimte om de zorg op te vangen. Daar komt nog bij dat hij een vertrouwd en stabiel netwerk heeft dat als opvangmogelijkheid kan fungeren voor [de minderjarige] . De vader is glashelder als gaat om de moeder: [de minderjarige] heeft haar moeder nodig en het is van het grootste belang dat het goedkomt met de moeder. Het is fijn én bijzonder om te zien dat de verstandhouding tussen de ouders van zo’n hoge kwaliteit is, ondanks alle moeilijkheden. Hiervan zal [de minderjarige] in haar leven de vruchten plukken.
5.3.
De moeder doet goed haar best om aan zichzelf te werken en probeert zo eerlijk mogelijk te zijn over hoe het met haar gaat. De last van de moeder is zwaar, om allerlei redenen. De kinderrechter heeft gezien en gehoord dat het haar allemaal niet meevalt. Toch wil zij verantwoordelijkheid nemen en volhouden. Dat zij moed toont, daadwerkelijk van die verslaving af wil en daar eerlijk over spreekt, stemt heel hoopvol. De moeder verdient hiervoor respect. Zij kan in januari weer in behandeling en wil dat graag. Dat die behandeling met vallen en opstaan gepaard gaat en dat het succes ervan bepaald zal worden door haar eigen doorzettingsvermogen, weet zij heel goed. Zij móet aan zichzelf werken om de moeder te kunnen zijn die [de minderjarige] verdient. Daarom staat zij voor [de minderjarige] ook achter het verblijf bij de vader.
5.4.
De kinderrechter vraagt aandacht voor het belang van een open samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling die gebaseerd is op vertrouwen. Het wederzijds wantrouwen waarvan nu sprake is, is in niemands belang, zeker niet in dat van [de minderjarige] . Dat wantrouwen is ontstaan door situaties die zich hebben voorgedaan. Het is belangrijk daar niet in te blijven hangen, maar dat in plaats daarvan onderling duidelijke afspraken worden gemaakt waar men elkaar dan ook aan kan houden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2024 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van N.M.E. Henke als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.