Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van Duitse autoriteiten is op 20 juni 2024 beslag gelegd op meerdere contante geldbedragen en laptops bij klager op twee adressen. Klager diende op 5 juli 2024 een beklag in bij de rechtbank Den Haag tot teruggave van deze goederen, stellende dat het geld en de laptops geen verband houden met het strafrechtelijk onderzoek en dat de contante gelden een legale herkomst hebben.
De rechtbank behandelde het beklag op 18 juli 2024 in raadkamer, waarbij zowel klager als de officier van justitie werden gehoord. De officier van justitie stelde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave en dat de inbeslaggenomen goederen bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. De rechtbank toetste het beklag aan de wettelijke criteria voor erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB, zoals neergelegd in artikel 5.4.10 Sv en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid tot kennisneming van het beklag correct is en dat klager ontvankelijk is omdat het klaagschrift tijdig is ingediend. De rechtbank stelde vast dat geen weigeringsgronden van toepassing zijn en dat de inzet van bevoegdheden rechtmatig is geschied. De persoonlijke belangen van klager bij teruggave kunnen het belang van het strafrechtelijk onderzoek niet overstijgen. Daarom verklaarde de rechtbank het beklag ongegrond en wees zij het verzoek tot teruggave af.