ECLI:NL:RBDHA:2024:2276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
23 februari 2024
Zaaknummer
10581871 RL EXPL 23-10401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 huurovereenkomstArt. 6:265 lid 1 BWArt. 6:96 lid 6 BWArtikel 85 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst niet gerechtvaardigd wegens schuldhulpverlening en lopende huurbetaling

De huurder heeft sinds februari 2023 een huurachterstand van bijna vijf maanden opgebouwd, waarvoor de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert. De huurder betwist de achterstand deels, maar kan niet aantonen dat hij heeft betaald. Wel voert hij aan dat hij zich heeft aangemeld bij schuldhulpverlening en dat een budgetbeheerder de lopende huur betaalt.

De kantonrechter stelt vast dat de verhuurder de huurachterstand voldoende heeft onderbouwd en dat de huurder in verzuim is. De vordering tot betaling van de huurachterstand en wettelijke rente wordt toegewezen. De vordering tot ontbinding en ontruiming wordt echter afgewezen, omdat de huurder stappen heeft gezet om de schuld af te lossen en de lopende huur betaalt, en de vertraging in het schuldhulpverleningsplan buiten zijn schuld ligt.

De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een ongeldige aanmaningsbrief. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter Bellaart en uitgesproken op 16 januari 2024.

Uitkomst: De huurachterstand en rente worden toegewezen, ontbinding en ontruiming worden afgewezen vanwege schuldhulpverlening en lopende betalingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage
KFV/b
Zaak-/rolnr.: 10581871 RL EXPL 23-10401
16 januari 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. M.J.S. Spanjersberg.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [stichting] ” en “ [gedaagde] ”.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 juni 2023;
  • de conclusie van antwoord;
1.2.
[stichting] heeft daarnaast nog een brief van 15 november 2023 gestuurd, met producties.
1.3.
Op 23 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij namens [stichting] mr. M.T.O. Bakker als gemachtigde is verschenen, en [gedaagde] in persoon is verschenen, met als gemachtigde mr. M.J.S. Spanjersberg. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds [datum] 2021 een woonruimte (hierna: het gehuurde) van [stichting] voor onbepaalde tijd. Het gehuurde is een zelfstandige woonruimte die gelegen is aan [adres] te [plaatsnaam] . De huurprijs bedroeg laatstelijk € 526,86 per maand.
2.2.
Op 11 april 2023 is een brief gestuurd naar [adres] te [plaatsnaam] waarin [gedaagde] een termijn van veertien dagen is gegund om de achterstallige huurpenningen te voldoen (€ 1.580,44). [gedaagde] heeft de achterstallige huurpenningen niet tijdig betaald aan [stichting] .

3.Vordering, grondslag en verweer

3.1.
[stichting] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. de huurovereenkomst te ontbinden;
en [gedaagde] te veroordelen om:
2. het gehuurde te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking van [stichting] te stellen en te laten;
3. aan [stichting] € 2.936,60 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.634,16;
4. aan [stichting] de nog te vervallen huurpenningen vanaf de maand juli 2023, thans bedragende € 526,86, of zoveel als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, per maand tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
5. aan [stichting] de schadevergoeding wegens huurderving na ontbinding van de huurovereenkomst een bedrag ad € 526,86, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, per maand (of gedeelte daarvan) dat [gedaagde] na ontbinding van de huurovereenkomst in gebruik houdt;
6. de kosten van deze procedure te betalen.
3.2.
[stichting] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het volgende ten grondslag. Uit artikel 4 van Pro de huurovereenkomst volgt de verplichting voor [gedaagde] om de huurprijs tijdig te voldoen aan [stichting] . [gedaagde] is sinds februari 2023 in gebreke gebleven om de verschuldigde huurpenningen voor de woonruimte tijdig te voldoen. Met het niet betalen van de huurpenningen schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de huurovereenkomst en is hij in verzuim gekomen, zodat zij ook aanspraak maakt op de wettelijke rente ter hoogte van € 15,59 (berekend tot de datum van de dagvaarding) en de buitengerechtelijke incassokosten die door [stichting] worden begroot op € 286,85 incl. BTW.
3.3.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert aan dat [stichting] heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde door relevante stukken niet tijdig in het geding te brengen. Hierdoor kan de juistheid van de stellingen van [stichting] niet gecontroleerd worden. Hij betwist dan ook dat er een huurachterstand is. Verder betwist [gedaagde] in gebreke te zijn gesteld door [stichting] dan wel facturen van haar te hebben ontvangen. Daarmee betwist [gedaagde] in verzuim te verkeren en daarmee geen wettelijke rente verschuldigd te zijn. Indien een eventuele vordering van [stichting] op [gedaagde] wordt toegewezen, dan dient deze te worden gematigd tot hetgeen redelijk is voor het leveren van de inspanningen om het geschil buiten rechte op te lossen. [stichting] heeft niet aangetoond dat enige omzetbelasting bij haar in rekening is gebracht waardoor deze vordering moet worden afgewezen. Tevens heeft [stichting] niet voldaan aan enige verplichtingen in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening ten aanzien van de meldplicht van huurachterstanden bij schuldhulpverlening. Daarom dient de vordering tot ontbinding en ontruiming van [stichting] te worden afgewezen. Tot slot voert hij aan dat zijn tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt en dat [stichting] daarbij ook geen belang heeft, gelet op het volgende. [gedaagde] heeft zich vrijwillig aangemeld bij Schuldhulpverlening van de gemeente Zoeteremeer vanwege persoonlijke omstandigheden en krijgt nu budgetbeheer. Die aanvraag is om onduidelijke redenen, maar in ieder geval buiten zijn schuld, blijven liggen tot 29 juni 2023. Inmiddels helpt Stichting CAV [gedaagde] met zijn financiën waarbij de budgetbeheerder de betalingen zal verrichten. Sinds 1 augustus 2023 is er een budgetplan waarmee [gedaagde] de lopende huur kan voldoen en een eventuele schuld kan gaan aflossen.

4.Beoordeling

Huurachterstand
4.1.
Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij in zijn verweer is geschaad omdat de akte uitlating productie (de brief van 15 november 2023) van [stichting] buiten de gestelde termijn van artikel 85 Rv Pro is ingediend. Daarop heeft de kantonrechter besloten om deze akte van [stichting] buiten beschouwing te laten in deze procedure.
4.2.
Volgens [gedaagde] heeft [stichting] in de dagvaarding onvoldoende aangetoond dat hij de huur over bepaalde maanden niet heeft betaald. Daarmee miskent hij echter dat het niet aan [stichting] is om aan te tonen dat hij niet heeft betaald, maar aan hemzelf om aan te tonen dat hij wel heeft betaald. [stichting] heeft duidelijk gesteld dat er een achterstand bestaat over de maanden februari tot en met juni 2023. [gedaagde] heeft niet gesteld (laat staan onderbouwd) dat hij die maanden heeft betaald. Daarom heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en dat de huurachterstand tot en met juni 2023 € 2.634,16 bedraagt. De vordering tot betaling van de huurachterstand is dan ook toewijsbaar, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente.
Ontbinding en ontruiming
4.3.
Artikel 6:265 lid 1 BW Pro bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.4.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] meer bijna vijf maanden de huur niet heeft betaald. Er is dus sprake van een tekortkoming van [gedaagde] . De hoogte van deze achterstand rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagde] beroept zich echter op een hiervoor bedoelde “tenzij-situatie” en heeft aangevoerd dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit beroep slaagt. Door [gedaagde] zijn stappen zijn gezet om te werken aan een oplossing voor de huurachterstand; hij heeft zich begin 2023 gemeld bij de schuldhulpverlening van de gemeente [plaatsnaam] , er is een budgetbeheerder die betalingen voor hem verricht en de lopende huur wordt zonder problemen betaald. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat er door zijn schuldhulpverlener wordt gewerkt aan een plan om de schulden af te lossen, waarin de huurachterstand zal worden meegenomen. Met de overgelegde stukken heeft [gedaagde] verder voldoende onderbouwd dat de totstandkoming van dit schuldhulpverleningsplan buiten zijn schuld om is vertraagd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van dit geval, ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Deze vorderingen en de daarmee verband houdende vorderingen zullen worden afgewezen.
4.5.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten, geldt het volgende. [stichting] heeft op 11 april 2023 een veertiendagenbrief verstuurd aan [gedaagde] , die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom als niet op de wet gegrond afgewezen.
4.6.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden zij gecompenseerd in de proceskosten.

5.Beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [stichting] te voldoen een bedrag van € 2.649,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.634,16 vanaf 20 juni 2023 tot aan de dag van voldoening;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen;
5.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.D. Bellaart en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024
.