ECLI:NL:RBDHA:2024:22770
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname minderjarige veroordeelde gegrond verklaard wegens bijzondere omstandigheden
De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het plegen van mishandeling, werd veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren. De officier van justitie beval de afname van celmateriaal voor DNA-bepaling, welke plaatsvond op 23 september 2024. De veroordeelde diende echter al op 1 augustus 2024 bezwaar in tegen de DNA-afname, wat formeel te vroeg was en dus in beginsel niet-ontvankelijk.
De rechtbank besloot het bezwaar toch inhoudelijk te beoordelen. Op grond van de Wet DNA kan DNA-afname worden bevolen bij veroordeelden van misdrijven, maar artikel 2 van Pro de Wet DNA biedt een uitzonderingsgrond indien bijzondere omstandigheden aannemelijk maken dat DNA-bepaling niet van betekenis is voor opsporing of berechting.
De rechtbank oordeelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn: de veroordeelde was minderjarig ten tijde van het feit, het misdrijf was van relatief geringe ernst, er werd een geheel voorwaardelijke straf opgelegd en het Openbaar Ministerie laat in soortgelijke gevallen DNA-afname achterwege. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.