ECLI:NL:RBDHA:2024:22776
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname en verwerking bij veroordeelde minderjarige ongegrond verklaard
De veroordeelde is bij vonnis van 4 juli 2024 veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet en kreeg een taakstraf en rijontzegging opgelegd. Op 11 juli 2024 werd door de officier van justitie bevolen om celmateriaal af te nemen voor DNA-bepaling, wat op 19 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. De veroordeelde maakte bezwaar op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat de Nederlandse regelgeving in strijd is met het Unierecht en dat uitzonderingsgronden van toepassing zijn vanwege zijn minderjarigheid en het karakter van het delict.
De rechtbank behandelde het bezwaar in raadkamer op 3 december 2024, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was, maar zijn advocaat wel. De officier van justitie voerde aan dat de regelgeving niet in strijd is met het Unierecht en dat geen uitzonderingssituatie geldt. De rechtbank oordeelde dat de Wet DNA en de uitvoering daarvan proportioneel en in overeenstemming met EU-richtlijnen zijn. De aard van het misdrijf en de minderjarigheid van de veroordeelde vormen geen grond voor uitzondering. Ook is geen evident bewijs van afwezigheid van recidivegevaar.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar ongegrond is en verklaart dit bij uitspraak van 17 december 2024. De beslissing bevestigt dat DNA-afname en verwerking bij veroordeelden, ook minderjarigen, binnen de wettelijke kaders en het Unierecht passen, mits aan de voorwaarden en toetsingen wordt voldaan.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en verwerking is ongegrond verklaard.