ECLI:NL:RBDHA:2024:22831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2024
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
NL24.44903
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 november 2024 waarbij de minister haar asielaanvraag niet in behandeling nam, omdat Portugal volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2024 behandeld en beoordeelt dat Nederland terecht het verzoek tot overname aan Portugal heeft gedaan, dat Portugal dit heeft aanvaard en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. De minister heeft gemotiveerd dat er geen aanwijzingen zijn dat Portugal zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat eiseres geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest.

Eiseres voerde aan dat overdracht aan Portugal voor haar van onevenredige hardheid is vanwege het risico op uitlevering aan Angola en haar vrees voor mensenhandel en prostitutie, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij in Portugal geen hulp kan krijgen van autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat de minister deze omstandigheden voldoende heeft betrokken en dat het beroep ongegrond is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier G.T.J. Kouwenberg.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44903

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2024 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover)
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 14 november 2024 waarbij de minister de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling heeft genomen, omdat Portugal verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL24.44904, op 24 december
2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond Dat betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres legt de rechtbank hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Portugal een verzoek om de overname van eiseres gedaan. Portugal heeft dit verzoek aanvaard.
3.1.
De minister ziet geen aanleiding om van de overdracht van eiseres aan Portugal af te zien. Er zijn volgens de minister geen aanwijzingen dat de Portugese autoriteiten hun internationale verplichtingen niet nakomen en eiseres daar een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ten aanzien van Portugal kan nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. [2] Verder zijn er geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat hij de asielaanvraag van eiseres onverplicht in behandeling zou moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, aldus de minister.
De beroepsgronden van eiseres
4. Eiseres is het niet met het bestreden besluit eens. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd verduidelijkt dat zij zich er enkel op beroept dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat een overdracht aan Portugal in haar geval, gelet op haar individuele situatie, van onevenredige hardheid is en hij daarom ten onrechte haar asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling heeft genomen. In dat verband voert eiseres aan dat zij in Portugal het risico loopt te worden aangehouden met het oog op uitlevering aan Angola vanwege mensenhandel en/of prostitutie en zij zowel in Portugal als (wederom) in Angola vreest het slachtoffer te worden van mensenhandel en prostitutie. Omdat eiseres bang was dat zij zou worden uitgeleverd aan Angola, dat zij niet serieus zou worden genomen door de Portugese politie en dat zij zou worden geronseld voor prostitutie, heeft eiseres bij de Portugese autoriteiten geen aangifte durven doen van gedwongen prostitutie. Ook heeft eiseres slechte ervaringen met de Portugese autoriteiten. Omdat de minister op dit punt niet (voldoende) is ingegaan in het bestreden besluit, bevat het bestreden besluit volgens eiseres een motiveringsgebrek.
De beoordeling door de rechtbank
5. Niet in geschil is dat Portugal in beginsel de verantwoordelijke lidstaat is om een verzoek om internationale bescherming van eiseres te behandelen en dat kan worden uitgegaan van het vermoeden dat Portugal zich in zijn algemeenheid en in het specifieke geval van eiseres houdt aan zijn internationale verplichtingen. Ook wordt niet betwist dat in zijn algemeenheid ervan moet worden uitgegaan dat vreemdelingen de hulp van de Portugese autoriteiten kunnen inroepen in het geval van problemen.
5.1
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan een lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria niet verplicht.
5.2.
De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister heeft zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van een overdracht van eiseres aan Portugal. De omstandigheden waarop eiseres in dit verband in beroep wijst, heeft de minister bij die beoordeling betrokken. In dat wat eiseres op de zitting aan de orde heeft gesteld, heeft de minister geen reden hoeven zien om hierover een ander standpunt in te nemen. Bij zijn beoordeling heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij eventuele problemen in Portugal, bijvoorbeeld in het geval zij slachtoffer wordt of dreigt te worden van mensenhandel en/of gedwongen prostitutie, niet de hulp en bescherming kan inroepen van de (hogere) autoriteiten of daartoe geschikte instanties. Ook is niet gebleken dat de Portugese autoriteiten eiseres in het geval van voorkomende problemen niet willen of kunnen helpen, of dat het vragen om hulp of bijstand bij voorbaat zinloos is. De enkele (niet onderbouwde) vrees die eiseres hieromtrent heeft geuit, is daarvoor onvoldoende. De minister verwacht terecht van eiseres dat zij zich tot de Portugese autoriteiten wendt als zij daar problemen ondervindt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.De minister verwijst naar ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:510.