Op 19 februari 2024 verzocht de verzoeker de rechtbank Den Haag om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, waarbij de geplande woningontruiming op 21 februari 2024 zou worden verboden. De verzoeker verkeerde in een bedreigende situatie vanwege de dreigende ontruiming en had nog niet met het minnelijk traject gestart, maar was wel onder beschermingsbewind geplaatst en kreeg hulp van schuldhulpverleners.
De rechtbank stelde vast dat de verzoeker sinds eind 2022 ernstige gezondheidsproblemen heeft en daardoor langdurig zonder inkomen zat, wat leidde tot een aanzienlijke schuldenlast. De maandelijkse huurtermijnen worden door de gemeente betaald, waardoor de vordering van de verhuurder niet verder oploopt. Haag Wonen had al sinds 2011 geprobeerd de verzoeker te ondersteunen, maar zonder duurzaam resultaat.
De rechtbank maakte een belangenafweging en oordeelde dat het belang van de verzoeker bij het behoud van zijn woning zwaarder weegt dan het belang van Haag Wonen bij ontruiming. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen voor zes maanden, zodat de verzoeker het minnelijk traject kan voortzetten en een regeling met schuldeisers kan treffen. Een WSNP-verzoek is eveneens ingediend, maar kan pas worden behandeld na afronding van het minnelijk traject.
De beschikking bepaalt dat Haag Wonen de woning niet mag ontruimen zolang de huurtermijnen worden voldaan en de voorziening geldt tot de WSNP-uitspraak in kracht van gewijsde is of het verzoek is ingetrokken. De rechtbank benadrukte dat de situatie nu stabieler is door beschermingsbewind en professionele hulp.