Eiser diende op 7 maart 2024 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis in. Verweerder verlengde de beslistermijn met drie maanden, maar heeft daarna niet tijdig een besluit genomen. Eiser stelde verweerder op 9 september 2024 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De rechtbank wijst het verzoek van verweerder om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen. De rechtbank bevestigt dat bij nareisaanvragen sprake is van een bijzonder geval dat een aangepaste beslistermijn rechtvaardigt.
De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op voor verweerder om alsnog een besluit te nemen, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk aan eiser wordt medegedeeld. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 7.500. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.