ECLI:NL:RBDHA:2024:22939
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens vestigingsrisico en geringe binding met herkomstland
Eiseres, Iraanse nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf om haar in Nederland verblijvende echtgenoot te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over het vertrek uit de EU.
De rechtbank toetst terughoudend of het besluit redelijk is genomen en concludeert dat de minister terecht twijfelt aan het vertrek van eiseres vanwege geringe economische en sociale binding met Iran. Eiseres kon onvoldoende aantonen dat zij een substantieel inkomen heeft of zorg draagt voor familie in Iran.
De rechtbank constateert een kennelijke verschrijving in het besluit over de familierelatie, maar dit doet niet af aan de inhoudelijke beoordeling. Ook wordt geoordeeld dat het visum niet geschikt is voor gezinsleven en dat de hoorplicht niet is geschonden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.