Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres 1] , eiseres
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen op 31 juli 2023 een visum kort verblijf aan om hun nicht te bezoeken. Verweerder wees deze aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet waren aangetoond, met name omdat de familieband niet was onderbouwd met de overgelegde documenten.
Eiseressen stelden dat verweerder de hoorplicht had geschonden door hen niet te horen tijdens de bezwaarprocedure, en dat dit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Tevens maakten zij aanspraak op een dwangsom wegens het te laat beslissen op hun bezwaar.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht van de hoorplicht kon afzien omdat eiseressen niet hadden gereageerd op verzoeken om aanvullende informatie en geen relevante stukken hadden overgelegd. Hierdoor kon verweerder redelijkerwijs concluderen dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen was niet-ontvankelijk omdat verweerder inmiddels een besluit had genomen. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseressen wegens de overschrijding van de beslistermijn.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en verweerder werd in de proceskosten veroordeeld tot een bedrag van € 437,50.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag is ongegrond.