Eiser, van Poolse nationaliteit, diende op 19 maart 2024 een asielaanvraag in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het EU-protocol dat lidstaten als veilige landen beschouwt. Eiser voerde aan dat hij vanwege psychiatrische en verslavingsproblemen in Polen geen adequate hulp zou krijgen en dat het gehoor onzorgvuldig was vanwege taalproblemen. Tevens stelde hij dat de onmiddellijke vertrekplicht onrechtmatig was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het gehoor zorgvuldig was verlopen, waarbij de tolk en taalvaardigheid van eiser voldoende waren gewaarborgd. Medische omstandigheden gaven geen reden om af te wijken van de niet-ontvankelijkheid, mede vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het ontbreken van voldoende onderbouwing. De onmiddellijke vertrekplicht was gegrond op wettelijke bepalingen in de Vreemdelingenwet 2000, aangezien eiser zijn rechtmatig verblijf had verloren en niet vrijwillig vertrok.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging niet onzorgvuldig was en dat het besluit voldoende gemotiveerd was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.