Eiseres ontving studiefinanciering voor uitwonende studenten, terwijl zij niet woonde op het opgegeven BRP-adres. Na een controle op het adres concludeerde verweerder dat eiseres niet op dat adres verbleef en legde een bestuurlijke boete op van €1.304,49, gelijk aan 50% van het teruggevorderde bedrag.
Eiseres voerde aan dat zij geen misbruik had gemaakt en dat de boete onevenredig was, mede omdat verweerder geen informatie had ingewonnen over haar financiële draagkracht. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiseres niet op het BRP-adres woonde en dat de boete terecht was opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd voor verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden en dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden. De boete werd als evenredig beschouwd, ook met het oog op de mogelijkheid van een betalingsregeling.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de boete bleef in stand en eiseres kreeg geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.