Eiser, een Somalische nationaliteit stellende asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn identiteit en nationaliteit. De minister baseerde dit op het gebruik van een Keniaans paspoort met afwijkende gegevens en het ontbreken van voldoende bewijsstukken.
De rechtbank beoordeelde dat eiser een oprechte en redelijke inspanning had geleverd om van de Keniaanse autoriteiten een verklaring te verkrijgen over de geldigheid van het paspoort, waaronder het sturen van een e-mail en rappellen bij de Keniaanse ambassade, zonder reactie. De minister werd daarom verplicht zelf contact op te nemen met de autoriteiten.
De rechtbank vond dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar de authenticiteit van de documenten en dat de minister niet kon volstaan met het bestempelen van documenten als 'fantasiedocumenten' zonder nader onderzoek. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was en kende eiser een schadevergoeding toe.
Daarnaast werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat het beroep zelf reeds werd behandeld. De minister werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.