De minister heeft op 16 augustus 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het geschil op basis van de stukken beoordeeld.
Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend is bij de uitzetting, omdat er geen zicht is op reactie van de Algerijnse autoriteiten op rappels. De minister heeft echter meerdere rappels gestuurd en een voortgangsrapportage overgelegd waaruit blijkt dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt. De rechtbank acht de informatie in de voortgangsrapportage betrouwbaar en ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid ervan.
De rechtbank overweegt dat eiser ook een medewerkingsplicht heeft en dat er geen aanwijzingen zijn dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez passer zullen verstrekken. De maatregel van bewaring was tot het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig en blijft dat ook nu. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.