Eiser, afkomstig uit Azerbeidzjan, diende een visumaanvraag in voor kort verblijf in Nederland. Omdat Nederland geen consulaat in Azerbeidzjan heeft, werd de aanvraag behandeld door de Franse autoriteiten op basis van een bilaterale vertegenwoordigingsregeling tussen Nederland en Frankrijk. De Franse autoriteiten wezen de aanvraag af op 14 juli 2022. Eiser diende daarop een bezwaarschrift in bij de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken.
De minister verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het bezwaar, omdat volgens artikel 32, derde lid, van de Visumcode het bezwaar moet worden behandeld door de lidstaat die de definitieve beslissing heeft genomen, in dit geval Frankrijk. Eiser voerde aan dat de minister wel bevoegd zou zijn, omdat het besluit namens Nederland is genomen en Nederland verantwoordelijk blijft voor de juistheid van het besluit.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht onbevoegd is verklaard. De bilaterale overeenkomst van 24 februari 2022 en de “Note Verbale” van 16 maart 2022 bevestigen dat de Franse autoriteiten bevoegd zijn om visumaanvragen uit Azerbeidzjan te behandelen en te beslissen. Het beroep op doorzendplicht en vertrouwensbeginsel faalde eveneens, omdat de minister niet bevoegd is en eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat een toezegging was gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.