ECLI:NL:RBDHA:2024:23255
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen late bekendmaking toewijzing asielaanvraag en gevolgen nareis
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 30 augustus 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde het besluit hierover uit, waarna de rechtbank op 13 februari 2024 verweerder een termijn van acht weken gaf om alsnog een besluit te nemen. Op 9 april 2024 maakte verweerder het besluit bekend, gedateerd op 14 december 2023, waarin de asielaanvraag werd ingewilligd.
Eiser stelde dat door de late bekendmaking de termijn van drie maanden om nareis aan te vragen was verstreken en dat de einddatum van de vergunning onjuist was. Ook wees hij op het ontbreken van een dwangsom in het besluit, zoals voorgeschreven in de eerdere uitspraak. Verweerder betoogde dat de termijn voor nareis pas bij bekendmaking begint, dat de einddatum een kennelijke verschrijving betrof en dat geen dwangsom verschuldigd was omdat het besluit binnen de gestelde termijn bekend was gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat eiser door de latere bekendmaking geen nadeel heeft ondervonden, omdat de termijn voor nareis pas bij bekendmaking begint en eiser inmiddels nareis heeft aangevraagd. De vermelde einddatum was een kennelijke verschrijving, aangezien de verblijfsvergunning asiel volgens artikel 3.105 Vreemdelingenbesluit voor vijf jaar wordt verleend. Ook was geen dwangsom verschuldigd omdat het besluit binnen de door de rechtbank gestelde termijn werd bekendgemaakt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef ongewijzigd in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de late bekendmaking van de asieltoewijzing wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft ongewijzigd.