ECLI:NL:RBDHA:2024:23266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2024
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
NL24.51188
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid voortduring maatregel van bewaring en uitzetting vreemdeling

De minister heeft op 18 juli 2024 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is eerder door de rechtbank getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot 11 oktober 2024. De minister heeft op 20 december 2024 een kennisgeving van voortduring van de maatregel ingediend, die gelijkstaat aan een beroep en een verzoek om schadevergoeding.

Eiser betwist dat de minister voldoende voortvarend is in de voorbereiding van zijn uitzetting, omdat een geplande vlucht op 13 december 2024 is geannuleerd vanwege het weigeren van medewerking door de Franse autoriteiten. De rechtbank oordeelt echter dat de minister geen invloed heeft op de beslissingen van de Franse autoriteiten en dat de uitzetting alsnog gepland staat op 11 januari 2025, wat voldoende voortvarendheid toont.

De rechtbank concludeert dat de voortduring van de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat er geen aanleiding is voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51188
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

De minister heeft op 18 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 oktober 20241 volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 11 oktober 2024 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank op 20 december 2024 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, alsmede een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 december 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat de minister tijdig een kennisgeving van de voortduring van de maatregel heeft ingebracht.
2. Eiser betwist dat de minister voldoende voortvarend aan zijn voorgenomen uitzetting werkt. Daartoe voert eiser aan dat de geplande vlucht van 2 januari 2025 op
13 december 2024 is geannuleerd. Dit komt volgens eiser voor rekening van de minister, aangezien de Franse autoriteiten hun medewerking aan een transit in Parijs hebben geweigerd. Volgens eiser wijst dit erop dat de minister de voorgenomen uitzetting onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Hieruit vloeit dan weer voort dat de maatregel van bewaring langer duurt dan noodzakelijk is, aldus eiser.
3. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Aanvankelijk zou eiser op 5 december 2024 worden uitgezet, maar deze uitzetting heeft geen doorgang gehad. Blijkbaar was 2 januari 2025 de eerstvolgende mogelijkheid om eiser onder begeleiding van een escort uit te zetten. Dat op 13 december 2024 is gebleken dat de Franse autoriteiten hieraan hun benodigde medewerking niet zullen verlenen, maakt niet dat de minister de voorgenomen uitzetting van 2 januari 2025 onzorgvuldig heeft voorbereid. In dezen heeft de minister immers geen invloed op beslissingen van de Franse autoriteiten. In ieder geval is gesteld noch gebleken dat de uitzetting van eiser eerder dan op 2 januari 2025 had kunnen plaatsvinden. Voor het oordeel dat de minister in zoverre onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, is dan ook geen aanleiding.
4. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de minister de voorgenomen uitzetting van eiser voldoende voortvarend ter hand neemt. Dit blijkt al uit de omstandigheid dat de uitzetting van eiser thans gepland staat op 11 januari 2025. Daarmee is ook het zicht op uitzetting gegeven.
5. In de door de minister verstrekte informatie ziet de rechtbank overigens geen aanleiding voor het ambtshalve oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de onderhavige maatregel niet (langer) is voldaan.
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is. Hieruit vloeit voort dat er geen aanleiding is om een schadevergoeding toe te kennen of een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 december 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.