Op 9 augustus 2024 vond de terechtzitting plaats bij de politierechter in de rechtbank Den Haag in een zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van rijden onder invloed van alcohol en/of drugs. De verdachte, die niet of onvoldoende Nederlands sprak, werd bijgestaan door een beëdigde tolk en een advocaat. Tijdens de zitting gaf de verdachte een verklaring af waarin hij zijn spijt betuigde en omstandigheden toelichtte, zoals zijn verblijf en werk in Duitsland.
De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid, mede vanwege het gevaar dat rijden onder invloed oplevert en het feit dat de verdachte door rood was gereden en een ander had aangereden. De verdediging voerde aan dat het bloedonderzoek niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat de verdachte niet correct was geïnformeerd over zijn recht op een tegenonderzoek; de brief hierover was naar een verkeerd adres gestuurd.
De politierechter schorste de zitting kort en na hervatting sloot de officier van justitie zich aan bij het verweer van de verdediging. Zonder het bloedonderzoek was er geen wettig en overtuigend bewijs. De politierechter sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Dit vonnis werd onmiddellijk mondeling uitgesproken en schriftelijk vastgesteld.