Eiser kreeg een boete van € 20.000,- opgelegd voor het omzetten van woonruimte zonder vergunning. Na bezwaar handhaafde het college de boete, waarna eiser beroep instelde. Tijdens de beroepsprocedure verlaagde het college de boete naar € 10.000,-. Eiser verzocht om vergoeding van proceskosten zowel in bezwaar als in beroep.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten niet tijdig is gedaan, omdat dit pas in beroep is gevraagd en niet vóór het besluit op bezwaar, zoals vereist in artikel 7:15, derde lid, Awb. Het beroep tegen het eerste besluit wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het tweede besluit is ongegrond omdat het college de boete heeft verlaagd.
De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten van € 875,- en wijst erop dat het betaalde griffierecht van € 184,- eveneens aan eiser moet worden vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.