ECLI:NL:RBDHA:2024:2616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
NL24.3929
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2 DublinverordeningArt. 10 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, van Moldavische nationaliteit, diende op 8 december 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag op 2 februari 2024 niet in behandeling, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser voerde aan dat Nederland zijn aanvraag zou moeten behandelen vanwege lopende beroepen van zijn dochters tegen overdrachtsbesluiten en de behandeling van asielaanvragen van zijn schoonzoons in Nederland. Tevens vreesde hij dat Duitsland zijn verzoek niet adequaat zou behandelen en verwees naar een eerder afgewezen asielverzoek en een geweldsmisdrijf in Duitsland.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt, en de Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek in behandeling te nemen. De gestelde afhankelijkheid van schoonzoons is niet met stukken onderbouwd. Ook is geen reden om het beroep aan te houden vanwege de dochters, die meerderjarig zijn en niet onder de gezinsleden volgens de Dublinverordening vallen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak niet langer connex is. De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond is en wees het af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3929 (beroep) en NL24.3930 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 februari 2024 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt van Moldavische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. Eiser heeft op 8 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser geeft aan dat zijn beide dochters beroep hebben ingesteld tegen hun overdrachtsbesluiten. Eiser vraagt om aanhouding in afwachting van de behandeling van die beroepen, omdat hij deel uitmaakt van het gezin van zijn dochters en Nederland, afhankelijk van de uitkomst van het beroep, zijn asielaanvraag zou moeten behandelen. Eiser voert daarnaast aan dat de asielaanvragen van zijn schoonzoons door Nederland worden behandeld. Nu eiser afhankelijk is van hen dient Nederland ook zijn asielverzoek in behandeling te nemen. Ten aanzien van Duitsland voert eiser aan dat hij vreest dat Duitsland zijn verzoek niet in bescherming zal nemen en dat hij geen opvang zal krijgen omdat hij in Duitsland al eens een asielaanvraag heeft ingediend en deze is afgewezen. Verder voert eiser aan dat hij in Duitsland vanwege zijn afkomst slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Verweerder had dan ook op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich moeten trekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat Duitsland in het algemeen de verdragsverplichtingen niet nakomt. Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te zullen nemen en zijn de verdragen en Europese richtlijnen ook geldig ten aanzien van de asielprocedure in Duitsland. Dat een eerder asielverzoek van eiser is afgewezen doet hier niet aan af.
5.2.
Daarnaast is Nederland evenmin verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielverzoek vanwege de opname van diens schoonzoons in de nationale procedure. Ten aanzien van de gestelde afhankelijkheidsrelatie met de schoonzoons, oordeelt de rechtbank dat deze afhankelijkheid niet (met stukken) is onderbouwd.
6. Verder heeft verweerder terecht geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening [2] aan zich te trekken. Het getuigt niet van onevenredige hardheid om eiser ondanks de gestelde mishandeling over te dragen. Eiser kan zich immers tot de Duitse autoriteiten wenden voor bescherming en zich bij hen beklagen over wat hem is overkomen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is.
7. Tot slot ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd over zijn dochters geen reden om het beroep aan te houden. De dochters van eiser zijn namelijk meerderjarig, waardoor eiser niet onder een van de definities van gezinslid van artikel 2, onder g van de Dublinverordening valt. Dus ook als eisers dochters in de nationale procedure worden opgenomen, kan een beroep op artikel 10 Dublinverordening Pro niet slagen. Of eiser een familielid is van zijn kleinkinderen in de zin van artikel 2, onder h, van de Dublinverordening doet niet ter zake, aangezien artikel 10 Dublinverordening Pro slechts gaat over gezinsleden.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.