Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning met arbeid in loondienst ingediend, die op 11 januari 2024 door de staatssecretaris is afgewezen. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar op 25 januari 2024 en vroeg op 12 februari 2024 om een voorlopige voorziening om het recht op arbeid te behouden zolang het bezwaar nog niet is beslist.
De staatssecretaris kon niet tijdig reageren en vroeg om uitstel, maar dit werd afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van verzoeker, die legaal verblijft en een arbeidscontract heeft als zwemleraar, zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris.
De rechter besloot de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten tot vier weken na de beslissing op het bezwaar en de verblijfsaantekening af te geven waaruit het recht op arbeid blijkt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.