Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een andere zaak op 16 januari 2024.
Na uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer NL23.40198) achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer nodig en wees het verzoek af. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga en griffier K.F.K. Hoogbruin, uitgesproken op 16 februari 2024. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.