ECLI:NL:RBDHA:2024:2725

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
C/09/650578 / JE RK 23-1440
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De kinderrechter heeft op 6 februari 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 30 maart 2024. Deze beslissing volgt op een eerdere beschikking van 22 augustus 2023, waarin de uithuisplaatsing was verlengd tot 26 februari 2024. De gecertificeerde instelling verzocht om verdere verlenging vanwege de noodzaak van voortzetting van de pleegzorg en de nog niet volledig gerealiseerde draagkracht van de moeder.

In de procedure werd duidelijk dat de moeder en de minderjarige grote stappen hebben gezet in hun ontwikkeling en samenwerking met de hulpverlening. De moeder volgt een intensief EMDR-traject en er is een persoonlijkheidsonderzoek bij de minderjarige afgenomen. Er is een goede samenwerking tussen partijen, hoewel er een meningsverschil bestaat over het inzetten van een tweede coach voor de moeder.

De kinderrechter acht het belang van de minderjarige en diens positieve ontwikkeling leidend en complimenteert de moeder met haar inzet. De terugplaatsing wordt voorzien op 30 maart 2024, mits de thuisplaatsing veilig en zorgvuldig kan worden vormgegeven. De pleegouders spelen een belangrijke rol in de positieve ontwikkeling van de minderjarige en blijven een steunpunt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 30 maart 2024 met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/650578 / JE RK 23-1440
Datum uitspraak: 6 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. D.Z. Peters, gevestigd te Zoeterneer.
[pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
en
[pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder
gezamenlijk wonende te [woonplaats 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 22 augustus 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 26 augustus 2023 tot 26 augustus 2024 en is de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor jeugdhulp verlengd van 26 augustus 2023 tot 26 februari 2024. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • voornoemde beschikking van 22 augustus 2023 en de daarin vermelde stukken;
  • het schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 26 januari 2024;
- het verweerschrift van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 6 februari 2024.
1.3.
Op 6 februari 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 3] , de partner van de moeder, als toehoorder;
- de pleegmoeder via telefonische verbinding.
De pleegvader is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 26 januari 2024 een online videogesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 22 augustus 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de resterende aangehouden duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Sinds eind 2023 zijn er twee coaches betrokken, één voor [minderjarige] en één voor de moeder. Beide coaches zitten in de kennismakingsfase. Er vinden sinds november 2023 wekelijkse systeemgesprekken via Accare plaats met de moeder en [minderjarige] . Er wordt een groei gezien. Er is onlangs een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij [minderjarige] . Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat de schriftelijke verslaglegging hiervan nog niet is ontvangen. De moeder volgt een intensief EMDR-traject. Na de afronding hiervan is de verwachting dat de moeder voldoende draagkracht heeft om de verantwoordelijkheid over [minderjarige] te dragen. De komende periode zal moeten blijken of en wanneer de moeder in staat is om de volledige zorg van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder is op zoek naar een school in haar woonomgeving die aansluit bij de behoeftes van [minderjarige] . Vorige week heeft er een netwerkberaad plaatsgevonden om te bezien op welke wijze het netwerk het gezin kan steunen. Er zijn een aantal voorwaarden voor terugplaatsing gesteld. Het is belangrijk dat het steunend netwerk gemobiliseerd is, zodat [minderjarige] en de moeder hiervan gebruik kunnen maken als dat nodig is. Het is verder van belang dat [minderjarige] een schoolgang heeft in [plaatsnaam] en er moet zich zijn op wat hij in zijn vrije tijd doet. De draaglast-draagkracht verhouding van de moeder moet daarnaast nog meer in balans worden gebracht. In overleg met de moeder zal er een zogenoemde richtdatum besloten worden. Op en nabij deze richtdatum zal het opvoedbesluit genomen worden. De gecertificeerde instelling verwacht of een volledige terugplaatsing – met compenserend en steunend netwerk – of een semi-terugplaatsing, waarbij het pleeggezin nog een aanzienlijke rol zal spelen in de zorg en opvoeding van [minderjarige] ter ondersteuning en ontlasting van de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder en [minderjarige] hebben de afgelopen periode grote stappen gezet. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt en staat sterker in haar schoenen. Aan alle voorwaarden voor terugplaatsing is voldaan. Hoewel er sprake is van een goede samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling, is er sprake van een verschil in inzicht over de coach voor de moeder. Het besluit om twee aparte coaches in te zetten is niet in overleg genomen. De moeder heeft haar eigen coach vanuit iQ Coaches en heeft geen behoefte aan een tweede coach die specifiek inzet op de draagkracht en draaglast van de moeder. De moeder geeft aan dat de hoeveelheid gesprekken die zij moet voeren er juist voor zorgt dat haar draagkracht en draaglast beperkt worden. Wel staat de moeder achter de coach voor [minderjarige] , waarbij zij ook betrokken wordt. De moeder vindt het belangrijk dat er geen overkill aan hulpverlening wordt ingezet. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid. Het is belangrijk dat de terugplaatsing van [minderjarige] zorgvuldig verloopt. De moeder heeft een passende school gevonden voor [minderjarige] in [plaatsnaam] en er staat een gesprek hierover gepland met zijn huidige school. Ter overbrugging kan [minderjarige] terecht op een stage-/werkplek bij het scooterbedrijf waar de partner van de moeder werkzaam is. Zaterdag 30 maart 2024 lijkt de moeder een geschikt moment om [minderjarige] op te halen en weer thuis te laten wonen. De moeder verzoekt dan ook om de uithuisplaatsing uiterlijk per 30 maart 2024 te beëindigen.
4.2.
De pleegmoeder heeft het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] heeft een grote verandering doorgemaakt. Wel ziet zij dat [minderjarige] nog altijd kwetsbaar en beïnvloedbaar is. Gezien wordt dat [minderjarige] in de overlevingsstand staat en toeleeft naar de terugplaatsing bij de moeder. De pleegmoeder gunt dit [minderjarige] en de moeder van harte, maar hoopt wel dat er voldoende hulpverlening is die bij eerste signalen weer kan ingrijpen. De pleegouders staan niet open voor weekendpleegzorg omdat dit te veel onrust zou geven binnen het pleeggezin. Het pleeggezin beschouwt [minderjarige] wel als een deel van de familie. Hij is daarom altijd welkom en zij zullen altijd voor [minderjarige] klaar staan.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. De moeder en [minderjarige] hebben de afgelopen periode grote stappen gezet. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt. Dit is bewonderenswaardig en de kinderrechter complimenteert de moeder daarmee. Het is positief dat het EDMR-traject van de moeder bijna wordt afgerond. Aan de voorwaarden voor terugplaatsing is op dit moment bijna voldaan. Ten aanzien van het vinden van een geschikte school voor [minderjarige] is ter zitting gebleken dat de moeder daarvoor al concrete stappen heeft ondernomen. Het enige punt waarover nog nadere afstemming moet volgen tussen de moeder en de gecertificeerde instelling is een coach voor de moeder. De kinderrechter vindt de bezwaren van de moeder op dit punt begrijpelijk en gaat er – mede gelet op de goede samenwerking tussen partijen – van uit dat zij over het al dan niet inzetten van een coach tot overeenstemming kunnen komen. De kinderrechter is het onder de gegeven omstandigheden met de moeder en haar advocaat eens dat 30 maart 2024 een goed moment is om [minderjarige] thuis te plaatsen. Tot die datum is het van belang dat de thuisplaatsing van [minderjarige] zo veilig en zorgvuldig mogelijk wordt vormgegeven. Alle belangen afwegende, waarbij het belang van [minderjarige] en zijn positieve ontwikkeling centraal staan, is de kinderrechter van oordeel dat deze beslissing het meest in zijn belang is. De moeder en [minderjarige] verdienen nu ook het vertrouwen dat zij klaar zijn voor deze volgende stap. De kinderrechter wenst iedereen de komende periode veel succes toe. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing nog voor een korte periode verlengen, te weten tot 30 maart 2024, en voor het overige afwijzen.
De kinderrechter merkt ten slotte op dat alle partijen ter zitting zeer positief zijn over de huidige samenwerking, en dat de pleegouders daarbij een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de positieve ontwikkeling die [minderjarige] heeft doorgemaakt. De kinderrechter complimenteert de betrokkenen hiermee en hoopt dat iedereen zich in de komende periode zal inzetten om deze samenwerking zo goed mogelijk te behouden. Gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] , die naar verwachting in meer of mindere mate zal blijven bestaan, zal [minderjarige] de komende periode de steun en begeleiding van alle betrokkenen nodig blijven hebben om zijn positieve ontwikkeling voort te zetten.
Daarom zal als volgt worden beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 26 februari 2024 tot 30 maart 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2024 door mr. B. Martinez-Hammer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 1 maart 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.