Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de oma.
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder met haar advocaat.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma aan vaderszijde, in een voorziening voor pleegzorg. De minderjarige verblijft sinds april 2023 bij de oma, waar zij zich fijn voelt, maar er zijn zorgen over haar wisselende gedrag en ontwikkeling, mede door kind eigen-problematiek en recente ingrijpende gebeurtenissen zoals de breuk met haar moeder en het contactverlies met haar halfzusje.
De moeder voert verweer tegen de uithuisplaatsing bij de oma, stellende dat het daar ook niet goed gaat en pleit voor plaatsing op een neutrale plek met professioneel toezicht voor diagnostiek en behandeling. De oma bevestigt dat de minderjarige het naar haar zin heeft en dat het belangrijk is dat zij hulp krijgt om haar gedrag te verbeteren.
De kinderrechter overweegt dat diagnostiek en behandeling noodzakelijk zijn en dat een stabiele en veilige opvoedomgeving essentieel is. Gelet op de situatie acht de rechter het in het belang van de minderjarige dat zij bij de oma blijft wonen, om onnodige verstoring en vertraging te voorkomen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verleend met uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 20 juli 2024.
De gecertificeerde instelling wordt opgedragen intensief in te zetten op contactherstel tussen de moeder en de minderjarige. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma in een pleegzorgvoorziening tot 20 juli 2024 is verleend.