Verzoekers, huurders van een woning van Stichting Staedion, werden geconfronteerd met een ontruiming die gepland stond op 29 februari 2024. Zij vroegen de rechtbank om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet om deze ontruiming voor zes maanden te verbieden, zodat zij het minnelijk traject voor schuldregeling konden afronden.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de dreigende ontruiming. Verzoekers hadden het minnelijk traject reeds gestart met hulp van een schuldhulpverlener en konden aantonen dat de lopende huurtermijnen betaald werden en de betaling van toekomstige termijnen voldoende gegarandeerd was. De heer [verzoeker 1] werkt als zzp’er en heeft een stabiele opdrachtgever, terwijl mevrouw [verzoeker 2] een Wajong-uitkering ontvangt.
Staedion erkende de betalingsachterstand en de problemen, maar ging slechts akkoord met een moratorium van twee maanden. De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen dan die van Staedion, mede omdat het belang van Staedion om haar vordering betaald te krijgen niet wordt geschaad zolang de lopende termijnen worden voldaan. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig en volledig worden betaald en blijft van kracht tot het WSNP-verzoek is afgehandeld.
De rechtbank bepaalde dat de voorlopige voorziening zes maanden duurt en dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het einde van deze periode verslag uitbrengt. Hiermee wordt verzoekers de gelegenheid geboden om hun schulden minnelijk te regelen zonder de dreiging van ontruiming.