De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 4 maart 2024 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening van een vreemdeling tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Het verzoek had betrekking op de toepassing van Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, die tijdelijke bescherming bieden aan vreemdelingen uit Oekraïne.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en besloot daarom zonder zitting uitspraak te doen. Gezien een soortgelijke zaak die op 7 maart 2024 door een meervoudige kamer wordt behandeld, kon aan het beroep in deze zaak een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Daarom werd de vreemdeling voorlopig behandeld alsof hij nog onder de werking van de richtlijn viel, tot vier weken na de beslissing op het beroep.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift had ingediend. Er waren geen andere kosten die vergoed konden worden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.