Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen beslist en heeft de termijn met drie maanden verlengd, maar ook daarna geen besluit genomen.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is geweest en dat het beroep tijdig is ingediend. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe vanwege betalingsonmacht.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn van twintig weken op, omdat in zaken rondom gezinshereniging bij asielvergunninghouders sprake is van een bijzonder geval. Voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, verbeurt de staatssecretaris een dwangsom van € 100 met een maximum van € 7.500. Tevens wordt de reeds verbeurde dwangsom van € 1.442 vastgesteld en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van € 437,50.