ECLI:NL:RBDHA:2024:2909
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van gronden
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 7 juli 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard op 8 september 2022. Vervolgens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5 en Pro 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker werd bij brief van 26 juli 2022 in de gelegenheid gesteld alsnog gronden in te dienen, maar hierop volgde geen reactie.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk werd behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 28 februari 2024 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.