ECLI:NL:RBDHA:2024:291
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser voert aan dat zijn vingerafdrukken in Oostenrijk gedwongen zijn afgenomen, hij nare ervaringen met Oostenrijkse autoriteiten heeft en dat hij zich bij zijn in Nederland verblijvende zuster wil voegen. Tevens beroept hij zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege onevenredige hardheid bij overdracht.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Oostenrijk zijn verplichtingen niet nakomt. Het feit dat Oostenrijk verantwoordelijk is, wordt bevestigd, ook omdat de intentie van eiser om geen asiel aan te vragen in Oostenrijk niet relevant is.
De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard maken. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.