ECLI:NL:RBDHA:2024:2916
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld en vastgesteld dat de hoofdzaak reeds op 22 februari 2024 is beslist in een andere procedure (zaaknummer NL23.38238). Hierdoor is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is geanonimiseerd gepubliceerd en er staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.