Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag was ingediend op 7 december 2022 en verweerder had uiterlijk 7 juni 2023 moeten beslissen, maar heeft dat nagelaten. Na een ingebrekestelling op 31 juli 2023 werd het beroep op 22 augustus 2023 tijdig ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en stelt een nadere beslistermijn van vier weken vast, omdat het hier een bijzonder geval betreft bij aanvragen om gezinshereniging van asielhouders. Verweerder wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt vastgesteld dat verweerder reeds €1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd.
Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van €437,50 en in de vergoeding van het griffierecht van €184. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit en draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.