ECLI:NL:RBDHA:2024:2955
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij aanvraag verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij besluit van 30 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke niet in behandeling is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, waarna het bezwaar bij besluit van 24 augustus 2022 niet-ontvankelijk werd verklaard.
Vervolgens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. Deze stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van de Awb. De voorzieningenrechter heeft verzoeker hierom bij brief verzocht alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie gekomen.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.