ECLI:NL:RBDHA:2024:2965
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Afghaanse Tadzjiek wegens onvoldoende aannemelijkheid vrees vervolging
Eiser, een Afghaanse Tadzjiek, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nadat hij tweemaal Afghanistan had verlaten vanwege bedreigingen en de machtsovername door de Taliban. Hij stelde dat hij vanwege zijn etniciteit en familiebanden met een voormalig lijfwacht risico liep op vervolging. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat de bedreigingen uit 2015 geen direct verband hielden met het recente vertrek van eiser en dat het behoren tot de Tadzjiekse minderheid onvoldoende is om een risicogroep aan te nemen. Ook de inname van de winkel van eisers vader door de Taliban werd niet als persoonlijk gerichte actie beoordeeld. De vermeende associatie met de overheid door het leveren van brandstoffen werd als onvoldoende ondersteunend aan de overheid gezien.
De rechtbank stelde verder dat de enkele stelling van verwestering onvoldoende onderbouwd was en dat het verblijf van twee jaar in Nederland dit niet aannemelijk maakt. Het terugkeerbesluit werd bevestigd omdat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van een reëel risico op vervolging.