ECLI:NL:RBDHA:2024:298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2024
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
NL23.40256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks vrijwillig vertrek

De rechtbank Den Haag heeft op 12 januari 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser voerde aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij tijdens een vertrekgesprek had aangegeven vrijwillig te willen vertrekken indien zijn verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet opweegt tegen het feit dat eiser al twee keer eerder aan Duitsland was overgedragen en telkens terugkeerde voor een derde asielprocedure.

De staatssecretaris motiveerde dat het belang van gecontroleerde overdracht zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid het moment van overdracht af te wachten, vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De rechtbank vond deze motivering voldoende en zag geen aanleiding voor een lichter middel.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2024 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 december 2023 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser is niet aanwezig, omdat hij op 9 januari 2024 is uitgezet naar Duitsland.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Tijdens het vertrekgesprek van 1 december 2023 heeft eiser namelijk aangegeven dat hij vrijwillig wilt vertrekken indien zijn verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Volgens eiser had dat reden moeten zijn om van de bewaring af te zien. Dit is onvoldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring.
4.1.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen lichter middel is toegepast. De staatssecretaris heeft zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat uit de (onbetwiste) gronden van de maatregel van bewaring een significant risico op onttrekking aan het toezicht volgt en in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft de staatssecretaris er op de zitting terecht op gewezen dat het enkele feit dat eiser op 1 december 2023 heeft aangegeven na afloop van zijn asielprocedure vrijwillig te willen vertrekken, niet opweegt tegen het feit dat eiser al twee keer eerder overgedragen aan Duitsland is en dat hij weer terug is gekomen voor een derde asielprocedure. Verder heeft de staatssecretaris in de maatregel van bewaring terecht gemotiveerd dat het belang van de staatssecretaris om eiser op gecontroleerde wijze over te dragen zwaarder weegt dan het belang van eiser het moment van de overdracht in vrijheid af te wachten en daardoor het risico te lopen dat eiser op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt. De staatssecretaris mocht eiser daarom in bewaring houden met het oog op het veilig stellen van de overdracht. Daarmee heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom er geen lichter middel is opgelegd. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot het opleggen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.