ECLI:NL:RBDHA:2024:2993
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie en gezin
Verzoekster, van Iraanse nationaliteit, diende op 18 mei 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel familie en gezin, gericht op haar meerderjarige dochter als referent. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag bij besluit van 27 mei 2022 af. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 30 augustus 2023 ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
Tegen dit bestreden besluit stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht zij tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde op 5 maart 2024 dat gezien de uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer AWB 23/11214) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was en wees het verzoek af.
Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de verweerder tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 875,-.