Eisers, van Venezolaanse nationaliteit, dienden op 31 december 2021 asielaanvragen in die door de staatssecretaris op 22 december 2023 werden afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 6 februari 2024 en oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij bij terugkeer opnieuw slachtoffer zouden worden van detentie wegens valse beschuldigingen.
Eiser had in 2018 tien maanden voorarrest gezeten onder slechte omstandigheden na een valse fraudeaanklacht en vreesde hernieuwde detentie en onmenselijke behandeling. De staatssecretaris vond het risico op detentie onvoldoende aannemelijk, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen over perioden van onderduiken en werk. De rechtbank verwierp de staatssecretaris’ oordeel over de samenhang van bedreigingen en woningoverval, maar stelde vast dat het motiveringsgebrek vooral lag bij het niet aannemelijk maken van het risico op hernieuwde detentie.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten, verklaarde de beroepen gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moet nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers. De overige beroepsgronden werden niet behandeld vanwege het gegrond verklaren van het beroep op het hoofdpunt.