ECLI:NL:RBDHA:2024:3130
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging EU-verblijfsrecht en verwijderingsmaatregel
Eiseres, een Poolse staatsburger die sinds oktober 2021 in Nederland verblijft, werd geconfronteerd met een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zij geen rechtmatig verblijf meer heeft. Dit besluit werd genomen nadat bleek dat eiseres langer dan drie maanden in Nederland verbleef zonder te voldoen aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, zoals het hebben van voldoende middelen van bestaan. Verweerder legde een verwijderingsmaatregel op, waarbij het belang van eiseres werd afgewogen tegen het belang van de Staat.
Eiseres voerde onder meer aan dat de belangenafweging onzorgvuldig was, dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het lex certa-beginsel en dat zij vanwege lopende strafzaken niet uit Nederland mocht worden verwijderd. De rechtbank oordeelde dat het verslag van het gehoor aan het dossier was toegevoegd en dat de stelling dat de verwijderingsmaatregel in strijd is met het lex certa-beginsel niet slaagt, mede omdat het arrest FS van het HvJEU duidelijk maakt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief beëindigd moet worden zonder dat verweerder een actieve informatieplicht heeft.
Verder concludeerde de rechtbank dat de verwijderingsmaatregel niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, omdat eiseres na beëindiging van haar verblijf haar strafzaken kan bijwonen. De opgelegde vertrektermijn van één maand is conform het arrest FS en er is geen verplichting tot belangenafweging bij het opleggen van deze termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.