De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van twee kinderen en hun vader tot vaststelling van het Nederlanderschap. De kinderen zijn in Ghana geboren en de vader is in 1990 genaturaliseerd tot Nederlander. Het verzoek richtte zich op de vraag of het vaderschap volgens Ghanees recht zodanig is erkend dat dit Nederlanderschap voor de kinderen oplevert.
De rechtbank stelde vast dat de enkele vermelding van de vader op de geboorteakten in Ghana onvoldoende is om te spreken van een familierechtelijke betrekking die gelijkstaat aan erkenning volgens Nederlands recht. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en het advies van het IJI. Daarnaast ontbraken bewijsstukken zoals een naamgevingsceremonie of een verklaring van de moeder die het vaderschap bevestigen.
Ook het feit dat de vader financieel heeft bijgedragen sinds meerderjarigheid van de kinderen, werd niet als voldoende bewijs gezien. De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat volgens Ghanees recht een erkenning heeft plaatsgevonden die Nederlanderschap aan de kinderen verleent.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en stelde vast dat de kinderen niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer en uitgesproken op 29 februari 2024.