Eiser, van Syrische nationaliteit, vroeg asiel aan in Bulgarije en kreeg daar internationale bescherming toegekend. Later diende hij asielaanvragen in Duitsland en Nederland in, waarbij de laatste aanvraag door de Nederlandse staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij in Bulgarije niet adequaat beschermd werd, ondanks zijn stellingen over bedreigingen en problemen met integratie. Het ontbreken van concrete aanwijzingen dat Bulgarije zijn verplichtingen niet nakomt, leidde tot de bevestiging van de niet-ontvankelijkheid.
Eiser had onvoldoende aangetoond dat hij zich tot Bulgaarse autoriteiten had gewend of dat er sprake was van een catch-22 situatie omtrent identiteitsdocumenten. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en concludeerde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast.