Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker], eiser
Inleiding en procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om in Nederland te mogen blijven terwijl zijn beroep tegen de opschorting van de overdracht op grond van de Dublinverordening loopt. De staatssecretaris had aanvankelijk de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht, maar heeft later de overdracht geannuleerd en verzoeker toegestaan het beroep in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter overweegt dat nu de bodemzaak is behandeld en de overdracht is geannuleerd, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Wel wijst de rechter de proceskostenvergoeding toe aan verzoeker, omdat de staatssecretaris deze reeds had aangeboden en er sprake is van professionele rechtsbijstand.
De proceskosten worden vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor de zitting worden geacht reeds in de bodemzaak te zijn vergoed, zodat geen dubbele vergoeding wordt toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten.