Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:351

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
15 januari 2024
Zaaknummer
NL23.32705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 27 lid 3 DublinverordeningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en toewijzing proceskostenvergoeding in Dublin-zaak

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om in Nederland te mogen blijven terwijl zijn beroep tegen de opschorting van de overdracht op grond van de Dublinverordening loopt. De staatssecretaris had aanvankelijk de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht, maar heeft later de overdracht geannuleerd en verzoeker toegestaan het beroep in Nederland af te wachten.

De voorzieningenrechter overweegt dat nu de bodemzaak is behandeld en de overdracht is geannuleerd, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Wel wijst de rechter de proceskostenvergoeding toe aan verzoeker, omdat de staatssecretaris deze reeds had aangeboden en er sprake is van professionele rechtsbijstand.

De proceskosten worden vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor de zitting worden geacht reeds in de bodemzaak te zijn vergoed, zodat geen dubbele vergoeding wordt toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.32705
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth).

Inleiding en procesverloop

De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van verzoeker op 23 augustus 2023 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Op 28 augustus 2023 heeft de staatssecretaris aan Zwitserland meegedeeld dat de overdracht geannuleerd wordt, omdat toepassing is gegeven aan artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening, welk artikel opschortende werking heeft.
Op 11 oktober 2023 heeft de staatssecretaris aan Zwitserland meegedeeld dat verzoeker op 19 oktober 2023 zal worden overgedragen.
Op 13 oktober 2023 heeft de staatssecretaris aan verzoeker kenbaar gemaakt dat de overdrachtstermijn is opgeschort.
Verzoeker heeft tegen de opschorting van de overdrachtstermijn beroep ingesteld, zaaknummer NL23.32701. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij het beroep in Nederland mag afwachten.
Bij brief van 18 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de rechtbank geïnformeerd dat verzoeker het beroep in Nederland mag afwachten, dat de overdracht is geannuleerd en dat er dus geen belang meer is bij de voorlopige voorziening. Daarbij heeft de staatssecretaris aan verzoeker een proceskostenvergoeding aangeboden voor het indienen van de voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het verzoek, samen met de zaak NL23.32701, op 7 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Khalaf en mr. E. Berger als waarnemers voor de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Overwegingen

Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL23.32701, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Vaststaat dat de staatssecretaris een proceskostenvergoeding aan verzoeker heeft aangeboden ter hoogte van 1 punt.
Reeds om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een proceskostenveroordeling ter waarde van 1 punt toe. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Gelet op de proceskostenvergoeding in de bodemzaak vanwege het innemen van wisselende standpunten door de staatssecretaris gedurende de procedure zou daarin ook aanleiding zijn gelegen voor toekenning van de proceskosten in deze procedure. Gezien de gelijktijdige behandeling ter zitting, worden de kosten voor het verschijnen ter zitting echter al vergoed in de bodemzaak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2024

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.