ECLI:NL:RBDHA:2024:3522
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus verzoekster
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin haar tijdelijke beschermingsstatus per 4 maart 2024 werd beëindigd. Verzoekster verzocht tevens om een voorlopige voorziening om haar tijdelijke bescherming en de daaraan verbonden voorzieningen te behouden gedurende de behandeling van het beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de bescherming na 4 maart zou eindigen terwijl het beroep nog niet was afgedaan. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden weegt het belang van verzoekster om de voorzieningen te behouden zwaarder dan het belang van verweerder om deze per 4 maart te beëindigen.
Daarom werd het bestreden besluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 875 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.J. Schouw en griffier N.M.L. van der Kammen en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De zaak betreft toepassing van de Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 betreffende tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke beschermingsstatus is geschorst en verweerder is veroordeeld tot betaling van proceskosten.