ECLI:NL:RBDHA:2024:3522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
NL24.9884
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus verzoekster

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin haar tijdelijke beschermingsstatus per 4 maart 2024 werd beëindigd. Verzoekster verzocht tevens om een voorlopige voorziening om haar tijdelijke bescherming en de daaraan verbonden voorzieningen te behouden gedurende de behandeling van het beroep.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de bescherming na 4 maart zou eindigen terwijl het beroep nog niet was afgedaan. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden weegt het belang van verzoekster om de voorzieningen te behouden zwaarder dan het belang van verweerder om deze per 4 maart te beëindigen.

Daarom werd het bestreden besluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 875 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.J. Schouw en griffier N.M.L. van der Kammen en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

De zaak betreft toepassing van de Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 betreffende tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke beschermingsstatus is geschorst en verweerder is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9884

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], verzoekster

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de tijdelijke bescherming [1] van verzoekster eindigt na 4 maart 2024.
Verzoekster heeft beroep (NL24.9882) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Het eindigen van de tijdelijke bescherming zoals vastgesteld in het bestreden besluit brengt mee dat verzoekster na 4 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek bij wijze van ordemaatregel op hierna te melden wijze toe te wijzen. Daartoe is redengevend dat het beroep niet kan worden afgehandeld voordat verzoeksters tijdelijke beschermingsstatus eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoeksters belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang nog niet op het beroep is beslist, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen na 4 maart 2024 meteen te doen beëindigen.
4. In de toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 schorst het bestreden besluit totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn