ECLI:NL:RBDHA:2024:3523
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep bewaring
Verzoeker is op 29 januari 2024 in bewaring gesteld door de staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, dat door de rechtbank op 29 februari 2024 ongegrond werd verklaard. De staatssecretaris heeft vervolgens de kennisgeving van bewaring gedaan, die gelijkgesteld wordt met een beroep. Verzoeker heeft dit beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank heeft beoordeeld of de staatssecretaris aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a Awb, wat een voorwaarde is voor toekenning van proceskostenvergoeding bij intrekking van beroep. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Verzoeker heeft geen gronden van beroep aangevoerd en er heeft geen zitting plaatsgevonden waar de gemachtigde van verzoeker is verschenen.
De werkzaamheden van de gemachtigde, zoals dossierinzage en telefonisch contact, worden niet als proceshandelingen aangemerkt die vergoeding rechtvaardigen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank acht de vraag of de kennisgeving al dan niet onverplicht is gedaan niet relevant voor de beoordeling. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de staatssecretaris niet aan verzoeker is tegemoetgekomen en de verrichte werkzaamheden geen proceshandelingen zijn die vergoeding rechtvaardigen.