ECLI:NL:RBDHA:2024:3523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
NL24.7745
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep bewaring

Verzoeker is op 29 januari 2024 in bewaring gesteld door de staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, dat door de rechtbank op 29 februari 2024 ongegrond werd verklaard. De staatssecretaris heeft vervolgens de kennisgeving van bewaring gedaan, die gelijkgesteld wordt met een beroep. Verzoeker heeft dit beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft beoordeeld of de staatssecretaris aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a Awb, wat een voorwaarde is voor toekenning van proceskostenvergoeding bij intrekking van beroep. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Verzoeker heeft geen gronden van beroep aangevoerd en er heeft geen zitting plaatsgevonden waar de gemachtigde van verzoeker is verschenen.

De werkzaamheden van de gemachtigde, zoals dossierinzage en telefonisch contact, worden niet als proceshandelingen aangemerkt die vergoeding rechtvaardigen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank acht de vraag of de kennisgeving al dan niet onverplicht is gedaan niet relevant voor de beoordeling. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de staatssecretaris niet aan verzoeker is tegemoetgekomen en de verrichte werkzaamheden geen proceshandelingen zijn die vergoeding rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7745

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris verzoeker op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in bewaring gesteld.
Verzoeker heeft op 15 februari 2024 tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft dit beroep op 29 februari 2024 ongegrond verklaard [1] .
De staatssecretaris heeft op 26 februari 2024 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw deze rechtbank en zittingsplaats van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door verzoeker ingesteld beroep. Verzoeker heeft vervolgens het van rechtswege ingestelde beroep tegen de kennisgeving ingetrokken met daarbij het verzoek de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Deze uitspraak gaat alleen over dit verzoek om proceskostenvergoeding. De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De staatssecretaris heeft op 12 maart 2024 gereageerd. Partijen hebben voorts toestemming gegeven om deze zaak buiten zitting af te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. De gemachtigde van verzoeker stelt dat omdat de kennisgeving ten onrechte is gedaan en een proceskostenvergoeding moet worden uitgesproken, en wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 29 augustus 2023 (NL23.23061). De gemachtigde van verzoeker stelt dat het nodige werk is verricht, bestaande uit het doornemen van het dossier en het bellen om de eerdere gemachtigde van verzoeker te achterhalen. De gemachtigde van verzoeker acht een vergoeding van 1 punt op zijn plaats.
4. De staatssecretaris stelt dat de kennisgeving niet ten onrechte was gedaan, omdat er op 28 februari 2024 nog geen rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring was uitgesproken. Verder stelt de staatssecretaris dat in de voornoemde uitspraak enkel 1 punt is toegekend vanwege het verschijnen ter zitting en niet voor het indienen van een beroepschrift. De vreemdeling en zijn gemachtigde hadden in die zaak immers geen beroepschrift ingediend. Dat geldt ook voor de onderhavige zaak. Dat de gemachtigde van verzoeker wel enige werkzaamheden heeft verricht maakt dat niet anders, nu telefoneren en een dossier doornemen geen op zichzelf staande proceshandelingen zijn waar het Bpb vergoeding voor aanwijst.
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechter is echter ook van oordeel dat er geen gronden zijn om in deze zaak een proceskostenvergoeding uit te spreken. De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen gronden van beroep had aangevoerd en dat er ook geen zitting heeft plaatsgevonden waar de gemachtigde van verzoeker is verschenen. De staatssecretaris stelt zich verder terecht op het standpunt dat de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht geen op zichzelf staande proceshandelingen zijn waar het Bpb vergoeding voor aanwijst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die de gemachtigde van verzoeker in verband met de behandeling van de kennisgeving redelijkerwijs heeft moeten maken. De vraag of de kennisgeving al dan niet onverplicht is gedaan, is bij deze beoordeling dan ook niet verder van belang.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL24.5714.