ECLI:NL:RBDHA:2024:3539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf voor familiebezoek, welke door de minister van Buitenlandse Zaken werd geweigerd op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. De minister stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig zou terugkeren naar Marokko vanwege onvoldoende sociale en economische binding.
Eerder waren twee aanvragen van eiser ook al afgewezen om dezelfde redenen. Eiser voerde aan dat hij kostwinner is en voor zijn ouders zorgt, maar dit werd niet voldoende onderbouwd. De minister oordeelde terecht dat de sociale binding onvoldoende was, mede omdat eiser ongehuwd is, geen kinderen heeft en niet aantoonde een specifieke zorgtaak te vervullen. Ook zijn economische binding werd niet aannemelijk gemaakt, aangezien hij zijn werkzaamheden als veehandelaar en inkomsten niet met objectief bewijs kon onderbouwen.
Eiser stelde bewijsnood te hebben omdat betalingen contant plaatsvinden, maar de rechtbank volgde de minister dat bewijsstukken zoals administratie of belastingaangiften ontbreken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van zijn broer niet vergelijkbaar was. De rechtbank oordeelde dat het horen in bezwaar terecht was achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van het visum en wees proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet toegekend.