Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer]
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
De gronden van de maatregel van bewaring
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 6 maart 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin een Algerijnse vreemdeling beroep instelde tegen zijn bewaring door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De bewaring was ingesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met als motief een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Spanje volgens de Dublinverordening en een significant risico dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank beoordeelde de door de staatssecretaris aangevoerde gronden, waaronder de zware grond dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen (3a), en de lichte gronden dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats had (4c) en niet over voldoende middelen van bestaan beschikte (4d). De zware gronden 3c en 3k waren door de staatssecretaris prijsgegeven. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat het beroep niet slaagde.
Daarnaast voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit of de bewaring op enig moment onrechtmatig was geweest, wat niet het geval bleek. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.