ECLI:NL:RBDHA:2024:3604
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander
Verzoeker, een derdelander met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne, verzocht om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. De staatssecretaris had eerder een besluit genomen dat verzoekers tijdelijke bescherming zou beëindigen en dit besluit later ingetrokken, waarna de bescherming van rechtswege eindigde. Verzoeker mocht sindsdien niet meer werken zonder werkvergunning en verloor het recht op gemeentelijke opvang, met overgang naar opvang door het COa.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen onverwijlde spoed was die een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker kon terecht bij het COa voor opvang en had de mogelijkheid een werkvergunning aan te vragen, zonder dat was gebleken dat hij daarvan geen gebruik kon maken. Het belang van de staatssecretaris bij naleving van de beëindiging van de tijdelijke bescherming woog zwaarder dan het belang van verzoeker.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en gaf geen proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van tijdelijke bescherming wordt afgewezen.