Eiser verzocht om het sluiten van een regularisatieovereenkomst met Luxemburgse autoriteiten voor de periode 1 maart 2012 tot en met 31 augustus 2014, welke door verweerder werd afgewezen. Eiser stelde dat hij procesbelang had vanwege mogelijke terugvordering van Luxemburgs Kindergeld, maar dit werd niet onderbouwd en de rechtbank volgde de jurisprudentie dat een mogelijke toekomstige terugvordering geen procesbelang vormt.
De rechtbank constateerde dat eiser over de periode een tegemoetkoming ter compensatie van dubbele premiebetaling had ontvangen, waardoor een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet relevant was. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast verzocht eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden met circa 17 maanden, deels in de bestuurlijke en deels in de rechterlijke fase. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe van €1.500,-, waarvan verweerder en de Staat respectievelijk €176,47 en €1.323,53 moesten betalen.
Ook werden verweerder en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van €437,50 en tot vergoeding van het griffierecht van €48,- aan eiser. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 maart 2024.