ECLI:NL:RBDHA:2024:3629
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden wegens ontbreken dubbele premieheffing
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2013. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat eiser geen premie volksverzekeringen verschuldigd was in Nederland gedurende deze periode.
Eiser stelde dat hij wel degelijk recht had op een tegemoetkoming omdat hij naast de Nederlandse premie ook Luxemburgse sociale verzekeringspremies betaalde, waardoor sprake zou zijn van dubbele premieheffing. Verweerder betoogde dat rekening moest worden gehouden met het premiedeel van de heffingskorting, waardoor de verschuldigde premie nihil werd en er dus geen dubbele premieheffing was.
De rechtbank oordeelde dat de Regeling vereist dat op 30 juni 2022 onherroepelijk vaststaat dat de rijnvarende in enig jaar tussen 1 mei 2010 en 31 december 2015 Nederlandse premie volksverzekeringen verschuldigd was. Omdat eiser in de betreffende periode geen premie verschuldigd was, is niet voldaan aan deze voorwaarde. De Regeling is bedoeld om een specifieke groep rijnvarenden tegemoet te komen die onterecht dubbele premies betaalden, wat hier niet het geval is.
Daarom werd het beroep van eiser ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen premie volksverzekeringen verschuldigd was en geen recht heeft op tegemoetkoming.