ECLI:NL:RBDHA:2024:3684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
18 maart 2024
Zaaknummer
NL24.7653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling en verzoek schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 19 maart 2024 het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beoordeeld. De maatregel was opgelegd op 14 januari 2024 en eerder getoetst op 30 januari 2024. De rechtbank richt zich nu op de rechtmatigheid van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek op 23 januari 2024.

Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting naar Marokko, onder meer door het te laat toezenden van een kopie laissez-passer en het nalaten van contact met organisaties zoals het IOM. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld, onderbouwd met voortgangsrapportages en communicatie met de Marokkaanse autoriteiten.

Daarnaast is geoordeeld dat eiser zelf actief moet meewerken aan zijn uitzetting, bijvoorbeeld door via familie toegang te verkrijgen tot een kopie van zijn paspoort. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwisten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7653

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 14 januari 2024.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak van 30 januari 2024. [1]
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
4.1.
Uit de uitspraak van 30 januari 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 23 januari 2024) rechtmatig is.
Voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat uit het verslag van het vertrekgesprek op 16 januari 2024 blijkt dat de staatssecretaris in het bezit is van een kopie laissez-passer (lp) vanuit België. Eiser stelt dat deze niet is meegezonden bij de lp-aanvraag op 19 januari 2024, maar pas op 19 februari 2024 aan de Marokkaanse autoriteiten is toegestuurd. Dat is te laat. Volgens eiser handelt de staatssecretaris daarmee onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting. Immers, gelet op de kopie lp is het onderzoek dat de Marokkaanse autoriteiten moeten verrichten voor de lp-aanvraag al gedaan. Dat is tijdbesparend bij de onderhavige, lopende lp-aanvraag.
5.1.
De rechtbank is het met eiser eens dat de staatssecretaris de kopie lp vanuit België eerder had kunnen opsturen. De rechtbank is het niet met eiser eens dat dit maakt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit het dossier en de door de staatssecretaris gegeven toelichting tijdens de zitting blijkt namelijk het volgende. Op 26 januari 2024 is gerappelleerd op de lopende lp-aanvraag. Op 13 februari 2024 is er een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 19 februari 2024 zijn de door eiser geschreven vrijwilligersbrief en de kopie lp vanuit België in aanvulling op de lopende lp-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten verzonden. Op 22 februari 2024 is nogmaals gerappelleerd op de lp-aanvraag.
Hieruit leidt de rechtbank af dat de staatssecretaris geenszins stil heeft gezeten. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Eiser voert verder aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt aan eisers uitzetting, omdat de staatssecretaris heeft verzuimd om eiser in contact te brengen met andere organisaties, zoals bijvoorbeeld met het IOM (Internationale Organisatie voor Migratie), die kunnen helpen bij zijn vertrek uit Nederland. Het gebruikmaken van die mogelijkheid kan het vertrek bespoedigen. In dit verband licht eiser toe dat hij vanaf het moment dat de bewaring werd opgelegd heeft verklaard te willen meewerken aan zijn vertrek naar Marokko. Hij heeft daartoe ook daadwerkelijk handelingen verricht, zoals het schrijven van een vrijwilligersbrief.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris wijst terecht op het verslag van het vertrekgesprek op 16 januari 2024, waarin staat dat eiser is geïnformeerd over de JRS (Joint Reintegration Services) waarop eiser heeft aangegeven dat hij hier geen gebruik van wil maken, hij geen geld hoeft en dat snel een lp voor hem geregeld moet worden. Hoewel dit verslag formeel gezien buiten de te beoordelen periode valt, laat dit verslag wel zien dat voor de staatssecretaris geen aanleiding bestond om eiser in contact te brengen met andere organisaties of specifiek het IOM. Verder merkt de staatssecretaris nog op dat het IOM eiser kan helpen met vrijwillig vertrek, maar niet kan helpen met zijn identificatie bij de Marokkaanse autoriteiten. Tot slot overweegt de rechtbank dat het eiser vrij staat om zelf te verzoeken om hulp van het IOM of andere organisaties.
7. Eiser wijst verder op het verslag van het vertrekgesprek van 13 februari 2024, waarin eiser aangeeft dat hij op zijn social media een kopie van zijn paspoort heeft staan. De staatssecretaris verwacht van eiser dat hij aan een familielid vraagt of hij/zij voor hem willen inloggen op zijn socialmedia en de kopie kan toesturen, maar volgens eiser is dit onterecht. De staatssecretaris kan hem ook helpen met inloggen op een computer.
7.1.
De staatssecretaris heeft tijdens de zitting toegelicht dat eiser vanuit het detentiecentrum kan bellen met familie. Eiser betwist dit niet. Nu van eiser mag worden verwacht dat hij actief meewerkt aan zijn uitzetting, mag van eiser worden verwacht dat hij via deze weg en met hulp van zijn familie alsnog aan de kopie van zijn paspoort probeert te komen. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 30 januari 2024, zaaknummer NL24.1394, ECLI:NL:RBDHA:2024:1182.
2.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858.