ECLI:NL:RBDHA:2024:3712
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om Nederland te bezoeken. Verweerder, de minister van Buitenlandse Zaken, wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij na het verblijf tijdig zou terugkeren naar Gambia. De afwijzing werd gebaseerd op het ontbreken van voldoende sociale en economische binding met het land van herkomst.
Eiser stelde dat hij wel degelijk sociale en economische bindingen heeft, onder meer door zijn werk in een restaurant, maar kon dit niet met stukken onderbouwen omdat zijn loon contant wordt betaald. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende bewijs is en dat eiser ook niet aannemelijk had gemaakt dat contante betaling een gebruikelijke praktijk is in zijn woongebied. Daarnaast werd vastgesteld dat eiser geen sterke sociale binding heeft, aangezien hij ongehuwd is, geen kinderen heeft en geen zorgverplichtingen voor familieleden kon aantonen.
Verder stelde eiser dat de beslissing op bezwaar te lang had geduurd en dat er sprake was van een geldige ingebrekestelling. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend en daarom niet rechtsgeldig. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard en dat eiser geen recht heeft op een bestuurlijke dwangsom. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Gambia.